26e zondag door het jaar

Preek op de 26ste zondag door het jaar in de Titus op 1-10-2017

 

Beste mensen, broeders en zusters,

 

Ik ben in Limburg opgegroeid. Daar is ja niet altijd ja. Want als iemand joooo zegt dan hoor je aan de klank waarmee het gezegd wordt of het echt ja is of meer een twijfelend ja of misschien een beleefdheids ja,

 

Ik denk dat de Limburgers daarmee meer lijken op de Vlamingen dan op de Hollanders. Klopt dat?

 

Mijn vader moest daar wel aan wennen toen hij vanuit Leiden in Limburg kwam wonen. Want Hollanders zijn dat niet gewend. Daar is ja gewoon ja en nee is nee. Soms op het boute af. Maar je weet waar je aan toe bent.

 

Als we zo naar het evangelieverhaal kijken van vandaag dan kunnen we het verhaal van de twee zonen dat Jezus vertelt nog wat beter meevoelen.

 

Die eerste zoon zegt: ‘Goed Vader’ maar hij doet niet wat zijn vader vraagt. Misschien durft hij geen nee te zeggen. Ik kan me voorstellen dat een nee tegen een vraag van je vader in die tijd ook niet echt geaccepteerd werd.

 

Daarom zal die tweede zoon het met zijn weigering niet makkelijk hebben gehad. Het zou wel eens tot een conflict hebben kunnen leiden tussen vader en zoon, misschien wel bewust vanuit een houding van recalcitrantie. Een opstandig puber?

 

Maar de reactie van de vader krijgen we niet te horen in dit verhaal. Jezus vertelt ook niet zomaar een verhaal. Hij heeft er een bedoeling mee. Dat blijkt ook uit de laatste zinnen van het evangelie van vandaag als Jezus duidelijk maakt om wie het gaat.

 

Daarvoor is het belangrijk om te weten tot wie Jezus zich richt. Aan het begin van deze lezing staat dat: de hogepriesters en de oudsten van het volk. Uit andere evangelieverhalen weten we al dat het niet zo botert tussen de hogepriester en oudsten en Jezus.

 

Uit dat wat vooraf gaat aan het evangelie van vandaag, blijkt dat ook: Jezus heeft de kopers en verkopers van het tempelplein afgejaagd en de tafels en stoelen van de geldwisselaars omver gegooid.

 

Als Hij iets verderop dan ter verantwoording wordt geroepen door de hogepriesters en oudsten over zijn overtreden en spreken in de tempel, dan geeft Jezus als antwoord: Ik heb ook een vraag. Als jullie die kunnen beantwoorden dan zal Ik zeggen krachtens welke bevoegdheid Ik optreedt.

 

Hij stelt hen dan de vraag of het doopsel van Johannes van de hemel kwam of van mensen. De hogepriesters en oudsten durven daar geen antwoord op te geven uit angst voor het volk. En dus zeggen ze dat ze het niet weten en Jezus geeft dan dus ook geen antwoord op de vraag naar zijn bevoegdheid.

 

Dan volgt het evangelie van vandaag. De verhouding staat al op scherp. Jezus lijkt er een schepje bovenop te doen. Want die tweede zoon vergelijkt Jezus met de tollenaars en ontuchtige vrouwen. Die hebben eerste nee gezegd tegen de Vader maar zijn daar op teruggekomen en hebben nu voorrang op de hogepriesters en oudsten die in de rol van de eerste zoon worden gezet.

 

De hogepriester en oudsten lijken namelijk wel ja tegen God te zeggen door hun geloof dat ze belijden, maar door Johannes niet te accepteren als profeet van God zeggen ze in de praktijk nee tegen God. Dat is wat Jezus hun niet al te subtiel duidelijk maakt.

 

En in het verlengde daarvan wijzen ze ook Jezus af, want ze denken geen bekering nodig te hebben en keren zich tegen Hem.

 

Soms wordt dit verhaal uitgelegd als een afwijzing van het Joodse volk ten gunste van de christenen die dan het nieuwe volk van God zouden zijn, de tweede zoon zouden vertegenwoordigen.

 

Maar het gaat niet over de afwijzing van een volk of een geloof maar om de afwijzing van een houding. Een houding van het eigen gelijk die niet meer open staat voor correctie. Een houding van dubbelheid: niet leven naar hetgeen je belijd in je geloof.

 

Dat is iets wat we afwijzen. Maar als we zelf de woorden van de profeet Ezechiël in de mond nemen, gaan we misschien al te snel op de stoel van de God zitten en mensen beoordelen. Dat is een gevaar. Wat we wel van Ezechiël kunnen leren is zijn oproep tot bekering om je af te keren van slechte daden.

 

En dan niet alleen met de mond maar vooral met het hart. Met een modern woord: authentiek zijn, geen dubbele agenda of dubbele moraal. Niet mooi spreken naar buiten en er niet naar leven, maar proberen je leven in overeenstemming te brengen met datgene waar je in zegt te geloven. Dus als christen daadwerkelijk leven als christen, natuurlijk met vallen en opstaan, maar wel oprecht.

 

Mensen zijn daar in deze tijd ook heel gevoelig voor, vooral jonge mensen. Als je als Kerk niet leeft naar hetgeen je belijdt ben je voor hen niet geloofwaardig. En laten we eerlijk zijn: wij houden er ook niet van als politici iets beloven en hun belofte niet nakomen.

 

Terug naar de zuiderlingen: zijn die verkeerd bezig? Is het joooooo dan af te keuren als een ja zeggen en een nee doen? Ik ben teveel zuiderling om dat te beweren. Maar ik geloof het ook niet. Want vaak is een keihard nee een belediging die je iemand wil besparen. En soms is ja een wens die je niet altijd kunt waarmaken.

 

Wij allemaal, zuiderling of niet, moeten bij onszelf nagaan of wij authentiek zijn of niet. En meer nog dan uit woorden blijkt dat uit de manier waarop wij leven. God kijkt naar het hart. En dat doet Hij met een grote barmhartigheid. Gelukkig. Amen.