2e zondag van de veertigdagentijd (jaar A), Bankraszaal, 1.3.2026
Genesis 12, 1-4a; Tim 1, 8b-10; Mat. 17, 1-9
“Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u zal wijzen. Ik zal een groot volk van u maken en u zegenen”. Met deze oproep en belofte ging Abraham op weg. Hij durfde te vertrouwen op de stem in zijn binnenste. Geloven is op weg gaan, loslaten wat vertrouwd is, maar niet meer voldoet. Gewoonten, denkbeelden, ook godsbeelden. Abraham ging op weg naar een land waarvan hij zelfs nog geen voorstelling had. Geloven is gaan ontdekken wat echt bij je hoort. Het is een weg van vertrouwen, een leerweg. Aldus wordt Abraham de vader van een volk dat leeft uit geloof. En dit volk zal tot zegen worden voor alle geslachten op aarde.
Ook Jezus, zoon van Abraham en zoon van David (Mat. 1,1), wordt geroepen om een weg te gaan. We herinneren ons zijn doop in de Jordaan, waar Hij door een stem uit de hemel ‘mijn geliefde Zoon’ wordt genoemd. En vandaag horen we het verhaal van de gedaanteverandering op de berg Tabor, waar die stem opnieuw klinkt. Om dit verhaal goed te begrijpen moeten we kijken naar de context die hieraan voorafgaat (Bastiaens). Hier vraagt Jezus aan zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?” Petrus belijdt dan dat Jezus de Messias is, Zoon van de levende God. Kort daarop begint Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moet gaan en veel zal moeten lijden. Petrus verzet zich hiertegen. Maar Jezus verzekert hem: “Wie Mij wil volgen moet zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen”.
Dan volgt de passage van de gedaanteverandering op de berg. De stem uit de hemel bevestigt het voor Petrus, Johannes en Jacobus: dit is mijn geliefde Zoon. Jezus is, als zoon van David, de gezalfde van Israël. Hij is, als Gods veelgeliefde, de zoon van Abraham en Hij is de dienaar, over wie de profeet Jesaja sprak (Jes. 42,1 en 53), de dienaar in wie God zijn welbehagen heeft gesteld. Wat Jezus zal overkomen in Jeruzalem hoort bij zijn opdracht om veelgeliefde en dienaar te zijn. Mozes en Elia, de twee grootste profeten van Israël, fungeren hierbij als getuigen.
Petrus is euforisch. Hij wil het lijden uit de weg gaan. De stralende verheerlijking van Jezus, dit beeld van de Messias, wil hij graag vasthouden. “Het is goed dat we hier zijn. Laten we drie tenten opbouwen”. Maar Jezus doet hem uit de droom ontwaken. “Sta op en wees niet bang”.
Jezus begreep waarheen zijn weg zou leiden: naar het kruis. De leerlingen hadden nog niet begrepen dat het definitief bereiken van de Tabor loopt via Getsemane en Golgotha. Er is geen verheerlijking zonder lijden. De weg naar Pasen loopt via Goede Vrijdag. En ook Jezus kende angst en twijfel. “Vader, als het mogelijk is, laat deze kelk dan aan Mij voorbij gaan. Echter, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”. En op het kruis: “Mijn God, waarom hebt U mij verlaten”. Maar uiteindelijk is Jezus trouw aan wat Hij ziet als de wil van de Vader, ook al betekent dat zijn eigen dood.
We raken hier aan een mysterie dat we maar moeilijk kunnen verstaan. Hoe werkt Gods liefde? “Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgeleverd”, zegt Paulus in zijn Romeinenbrief. Jezus zag zichzelf als de lijdende dienaar, waarover Jesaja spreekt. De lijdende dienaar neemt de schuld van anderen op zich om daarmee hen te bevrijden en het volle leven terug te geven. Jezus heeft zichzelf ontledigd, zichzelf leeg gemaakt om er voor anderen te zijn, om zijn leven voor anderen te geven. De hemelse glans die over zijn leven ligt, wordt zichtbaar wanneer Hij luistert naar mensen in de problemen, wanneer Hij tegen wie onder het leven gebukt gaan zegt: “Kom, ik draag met je mee”. En wanneer Hij door dit alles heen het kruis van alle dag op zich neemt, tot het uiterste toe, op Golgotha.
Boven op de berg mogen de meest nabije leerlingen even zien wie Jezus ten diepste is. Jezus’ woorden van enkele dagen geleden dat Hij zou moeten lijden hadden hen verward. Zou de man van wie zij zoveel hielden en van wie zij hoopten dat Hij goede toekomst zou brengen aan het volk, zou die zich laten doden? Hadden ze zich dan in hem vergist? Maar boven op de berg wordt de sluier van hun twijfel even weggetrokken. Ze mogen Jezus zien, doorstraald van de heerlijkheid van God. Zien, soms even. Net als Abraham moeten ze daarna, met hun beperkte geloofszicht, weer van de berg omlaag, het gewone leven in.
Ook aan ons vraagt Jezus soms om alles even los te laten en de berg op te gaan. Om er geheel alleen bij God te zijn. En net als de geliefde leerlingen moeten ook wij vervolgens weer afdalen om het ontvangen geheim en de liefde van God door te geven in het leven van alledag. In dat leven zullen we ook ons kruis te dragen krijgen. Mogen we dat blijmoedig kunnen doen, in navolging van Christus en op weg naar Pasen.
PLK