5C Mensenvissers 9.2.2025 TB
Jesaja 6, 1-2a.3-8; 1 Kor. 15, 1-11; Lucas 5, 1-11
In het sterfjaar van koning Uzzia, zo begint de eerste lezing. Dit is meer dan een mededeling van tijd. Koning Uzzia was een slechte koning. Zijn sterven vormt de overgang naar een nieuw tijdperk. Een tijd waarin het regiem van God zelf doorbreekt. Vandaar al dat vuur en die engelen. Om die tijd voor de mensen aan te zeggen is een profeet nodig. Maar welk mens kan overeind blijven in een goddelijk visioen als dat van Jesaja? Een mens die door Gods aanwezigheid wordt aangeraakt, heeft een dubbele reactie: fascinatie en schrik tegelijk. De schrik heeft vaak de overhand: wie ben ik, kleine en zondige mens, dat ik hiervoor gevraagd wordt? Ik ben niet waardig. Toch kan er soms het inzicht doorbreken, dat deze opdracht niet op eigen kracht hoeft te worden vervuld. De beleving dat hogere machten aan het werk zijn, die jouw lippen reinigen en je beperkingen aanvullen. Dat bracht Jesaja uiteindelijk tot de reactie: Hier ben ik, zend mij.
We zien dat thema terugkeren in de andere lezingen. Paulus begon als een zelfverzekerde bestrijder van de eerste christenen. Maar hij werd hardhandig geconfronteerd met zichzelf. Hij moest een grondige interne ommekeer meemaken. Achteraf noemt hij zichzelf een misgeboorte en de minste der apostelen. Hij moest opnieuw geboren worden en daarbij beseffen dat het Christus was die leefde in hem. Niet zijn eigen prestaties waren beslissend in zijn arbeid, maar de genade van God.
En bij Simon Petrus gebeurt iets dergelijks. Na een nacht lang ploeteren op het meer, moeten Simon, Jacobus en Johannes teleurgesteld vaststellen dat ze nauwelijks iets gevangen hebben. En dan komt daar die vreemde Jezus, een niet-visser, vertellen dat ze hun netten moeten uitgooien in diep water. Simon lijkt te aarzelen. Maar hij laat zich overhalen. Wellicht had Jezus toch indruk gemaakt tijdens zijn toespraak. En tot Simons grote schrik vangen ze zoveel vis dat de netten scheuren. En hij kan alleen maar stamelen: Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens. En pas nadat dit gebeurd is, krijgt hij van Jezus de opdracht: voortaan zul je mensen vangen.
Telkens weer horen we, dat we als mens eerst onze kleinheid en beperktheid moeten erkennen, om open te gaan voor krachten die ons te boven gaan. Al ons zwoegen is weliswaar nodig, maar op het beslissende moment mogen we erop vertrouwen dat Gods kracht en genade het zal afmaken. In een tijd waarin veel kerken sluiten en het gebrek aan pastorale krachten en voldoende jonge aanwas steeds meer voelbaar wordt, kunnen we een dergelijke aanmoediging goed gebruiken. Wie ligt er nooit wakker van de vraag: hoe gaat dat nu verder met de kerk? Hoe kunnen we in de toekomst nog een teken zijn van het komende rijk van God dat in Jesaja’s droom wordt aangekondigd? Waar maken wij het nog mee dat onze netten vol zijn? Is de Heer nog wel onder ons?
Misschien zijn dit wel de tijden en omstandigheden waarin ons geloof het meest beproefd wordt. In de tijd van het rijke roomse leven, met volle kerken en vier kapelaans per parochie…ja, daar liep het wel, geen kunst. Maar nu, al onze inspanningen kunnen niet verhinderen dat we er, menselijkerwijs gesproken, niet goed voorstaan in de kerk. En dan blijkt geloven vooral ook te zijn: niet vertrouwen op eigen kracht, op eigen prestaties. Want als we dat doen, staan we al snel niet meer open voor dat wat van elders komt, de mysterieuze kant van het leven. En dat kan soms beslissend zijn.
Voor het op gang brengen van een wereld van vrede en gerechtigheid, het rijk van God, zoekt Jezus zijn helpers niet bij degenen die alles al weten en niets meer wagen. Maar ook niet bij de sceptici van deze wereld. Hij zoekt helpers die in zijn woord durven geloven en telkens opnieuw bereid zijn hun net uit te gooien. Om wat te doen? Om mensen te vangen voor mijn boodschap, zegt Jezus. Om mensen tot hun recht te laten komen, om hen het verloren gewaande leven terug te geven. Dat is de opdracht die Petrus krijgt.
God heeft mensen nodig om zijn Woord hier op aarde te laten klinken en in daden gestalte te geven. Daartoe worden wij allen geroepen. Misschien niet via zo een machtig visioen als dat van Jesaja. En ook niet doordat we van ons paard worden geworpen, zoals Paulus. En al evenmin door een ervaring van een overweldigende visvangst, zoals Petrus die meemaakte. Maar misschien worden we wel pijnlijk geraakt door een foto in de krant van lege gezichten van vluchtelingen of van babylijkjes op het strand. Dat kan net zo heftig zijn. Of wellicht worden we eenvoudig bewogen door die gedeprimeerde, eenzame buurman die met zijn leven geen raad weet. En net als bij Jesaja zal ook onze reactie mogelijk zijn: waarom ik? Daar ben ik toch veel te klein voor? Daar kan ik toch weinig aan doen? Maar God houdt van kleine mensen. Hij voltooit in ons wat we zelf niet aankunnen. Laten we daar maar op vertrouwen. Amen.
PLK