Aswoensdag 5.3.2025 in TB  

Joël 2, 12-18; 2 Kor. 5, 20 – 6, 2; Mat. 6, 1-6.16-18

Wij beginnen vandaag onze veertig dagen op weg naar Pasen. Dat getal veertig herinnert ons aan het verhaal over het joodse volk. Nadat het bevrijd was uit het slavenhuis Egypte, moest het eerst 40 jaar door de woestijn trekken om te leren hoe het zou moeten leven in het beloofde land. En we denken aan de 40 dagen van beproeving die Jezus doormaakte in de woestijn om zijn ware roeping te testen, alvorens Hij een begin maakte met zijn openbaar leven.

Op Aswoensdag herinnert de kerk ons aan onze broosheid en sterfelijkheid. Zij nodigt ons uit om ons opnieuw te realiseren dat wij als het erop aan komt stof en as zijn. Aardelingen, kwetsbare mensen. Maar niet slechts stof en as, alsof wij ons ervoor zouden moeten schamen. Nee, wij zijn stof en as, een hoopje aarde, grondstof waar God levensadem inblaast. Wij zijn tot leven geroepen. Aan deze eenvoudige waarheid mogen we ons vasthouden.

Vanuit dat besef kunnen wij heel ons leven bezien, met de vraag waar het werkelijk op aankomt.  Als je echt wilt leven dan moet je je afkeren van al wat het leven bedreigt. Dan moet je leren leven in vrede en vriendschap met je medemensen.  Oorlog en ruzie maken het leven onleefbaar. Dan moet je niet meedoen met het uitbuiten van de aarde.

Ook onze kinderen willen toekomst hebben. Dan moet je niet mee doen met het in stand houden van honger, ziekte en armoede.   Ook medemensen in armere landen willen gezond en sterk door het leven kunnen gaan (Buitendijk). Dat vraagt om bekering, om een andere levensstijl. Bekering kan leiden tot je opnieuw toekeren naar God die al de gever van het leven was toen wij zelf nog maar stof en as waren.

Anders gaan leven  betekent dat je kritisch kijkt naar je eigen leefwijze en dat je jezelf de vraag stelt: draagt dit werkelijk bij tot beter en gelukkiger leven, tot een leven waartoe God mij heeft uitgenodigd?

Vaak zien we dan dat wij zelf schuldig zijn aan de zorgen en aan het ongeluk van anderen. Soms omdat wij iets slechts gedaan hebben; soms moeten we erkennen dat we ons van de ander niets hebben aangetrokken. We hebben verzuimd het goede te doen. We hebben hun levensgeluk niet bevorderd.  Onze schuld uitspreken kan bevrijdend werken. Bekennen dat we mede schuldig zijn schept ruimte voor vergeving en een nieuw begin.

De veertigdagentijd kunnen we ingaan als oefenperiode waarin we de waarheid dat wij tot leven geroepen zijn, opnieuw willen ontdekken. In het evangelie wijst Jezus ons drie wegen: Vasten – bidden – aalmoezen geven.

Vasten is het overbodige nalaten om de goedheid weer te proeven van het eenvoudige voedsel dat nodig is voor je gezondheid. Daar hoef je niet somber bij te kijken. Integendeel, met wat je overhoudt kun je hen die tekort hebben blij maken. Blijheid om de simpele goedheid is een kenmerk van het nieuwe leven.

Aalmoezen geven is een werk van barmhartigheid. Met een warm hart bij anderen zijn. Je betrokken weten bij hen die in nood zijn. Hoe jij andermans geluk bevordert, daar moet je niet veel over praten. Verheug je in stilte dat je anderen kunt helpen.

Bidden is voor God gaan staan en dank u wel zeggen dat je met en voor anderen leven mag. Bidden is je bezinnen op je verhouding tot God en medemensen. Bidden is inkeren in jezelf en de vreugde beleven dat God in zijn liefde jou tot bestaan geroepen heeft. Biddend kun je ervaren dat je een nieuw mens wordt die op verdiepte wijze het leven aan kan.

Laten we in de komende veertig dagen proberen los te komen en vrij te worden van alles wat ons verhindert om als nieuw en herboren mens te leven.

Voorafgaand aan deze viering hebben wij dorre palmtakken verbrand. Zij  symboliseren ons verdroogd en verslapt ge­loofsleven. Het vuur heeft deze dorre takken tot as verbrand. De as ervan kan vruchtbaar zijn voor nieuw leven. Zo dadelijk zullen wij getekend worden met as. Enerzijds: wij mensen zijn maar stof; anderzijds: as kan de grondstof zijn voor nieuw leven.

PLK